Kerstverhaal: Wijzen

Aanbidding door de wijzen (Bengt Alfredson in opdracht van Adrian Gilbert)

‘Koning! Koning! Koning!’

‘Schreeuw niet zo. Wat moet je?’

De lakei wierp zich op de knieën in het aanschijn van zijn geliefde vorst. Antiochus III, heerser van Samosata en het Koninkrijk Commagene, gebaarde ongeduldig dat de koerier overeind moest komen. Zijn twee gasten deden een stap achteruit om de nieuweling ruimte te geven.

‘Spreek man! Vanwaar die opwinding?’

‘Er is een magiër onderweg. Hij is bij de stadspoort en vraagt een onderhoud met u.’

De twee gasten van koning Antiochus III keken elkaar verbaasd aan. De jongste van de twee, een rijzige man van een jaar of veertig, deed opgewonden een stap naar voren. ‘Waar komt hij vandaan? Heeft hij dat gezegd?’


Lees je liever van papier? Download hier het verhaal in PDF.


De koerier nam de vreemdeling een ogenblik in zich op en zijn ogen vroegen toestemming aan de koning. ‘Ehm... Uit Arbela, zegt hij. De hoofdstad van Adiabene.’

‘Als ik het niet dacht!’ riep de lange man. Hij balde zijn vuist en stampte zijn voet. De oude man ter rechter zijde greep zijn arm en maande hem tot kalmte.

De vorst wierp een verstoorde blik naar zijn gast en gebaarde opnieuw de koerier. ‘Laat hem hier komen.’

‘Wilt u hem hier ontvangen? Maar Arbela is onze grootste vijand! Arbela breidt zijn grondgebied steeds verder uit in de richting van Edessa. Ik begrijp dat u daar hier in Samosata geen boodschap aan heeft, maar u wilt mij toch niet in dezelfde ruimte ontvangen als een vertegenwoordiger van deze slachters! Er is mij veel aan gelegen...’

‘Balthasar, zwijg!’ riep Antiochus III.

De statige magiër uit Edessa boog nederig zijn hoofd naar de koning. ‘Sorry, Sire. We zijn al meer dan tachtig jaar in een strijd verwikkeld met deze barbaren.’

‘Jullie volkeren zijn toch afkomstig uit dezelfde stam? Jullie zijn broederen! Waarom brengen jullie beide landen niet onder één gezag?’

Balthasar zoog verontwaardigd zijn longen vol. ‘Hoe kunt u zoiets zeggen? Broederen? Zij zijn van mening dat Mithra, onze geheiligde zonnegod, de reïncarnatie is van Ahura Mazd. Terwijl iedereen toch weet dat Ahura Mazd de schepper is van Mithra. Hoe kan Mithra dan zijn reïncarnatie zijn? Wij zullen nooit onder één gezag met hen kunnen leven.’

De antieke steden Samosata, Edessa en Arbela

 

De lakei van de koning kwam opnieuw de paleiszaal binnen, op de voet gevolgd door een man van rond de twintig. De man had een huidskleur die deed vermoeden dat hij van voorbij de Indus kwam. Hij liet zich direct op zijn knie vallen en boog zijn hoofd naar de koning. In zijn hand hield hij een gouden drinkbeker.

‘Gegroet, o grote Antiochus, de derde. Mijn koning laat u dit kostbare geschenk brengen. Ik ben Caspar, magiër en raadgever van de koning van Arbela.’

Terwijl de lakei van de koning de gouden beker in ontvangst nam, wierp de donkere magiër een snelle blik op de twee andere aanwezigen. ‘Met wie heb ik het genoegen?’

‘Welkom, vreemdeling. De heren die u hier ziet zijn beiden ook magiërs. Dit is Melchior, mijn eigen raadgever, de meest schrandere man van Samosata. Naast hem staat Balthasar, afkomstig uit Edessa. Hij is vanmorgen gearriveerd.’

‘Welk een bijzonder toeval,’ sprak de oude Melchior, terwijl hij bedachtzaam zijn hand over zijn grijze baard streek. ‘Dat magiërs uit onze buurlanden op dezelfde dag zich aan ons hof melden.’

‘Staat u mij toe mijn komst te duiden,’ sprak Caspar. De koning knikte.

‘Onze drie koninkrijken staan onder voortdurende dreiging van het imperialisme van de Parthen in het zuiden. Sinds de val van Pontus en Syrië is daar de agressie van de Romeinen uit het westen bijgekomen. Om onze zelfstandigheid te waarborgen hebben we sterk leiderschap nodig.’

‘Ik heb geen enkele belangstelling om de strijd met de Romeinen aan te gaan,’ antwoordde koning Antiochus III.

‘Nee, Heer. Dat verwachten we ook niet. Ik kom hier vanwege een profetie die in ons land de ronde doet. Een profetie van een nieuwe koning. Een koning die geboren moet worden in het teken van de Leeuw. Uw land, het Koninkrijk Commagene, staat bekend als het land van de Leeuw. Daarom ben ik gekomen, Heer. Is er in uw land een nieuwe koning op komst?’

De zittende koning wreef met zijn hand over zijn kin, en masseerde zijn hele gezicht met beide handen. Hij richtte zijn blik op Melchior, die zijn voorhoofd fronste en zweeg.

Antiochus III zuchtte. ‘U stelt mij precies dezelfde vraag als Balthasar, vlak voordat u binnen kwam. Kennelijk zoekt u naar hetzelfde. Maar ik vrees dat ik u moet teleurstellen. Als er een koning op komst was, dan zou ik dat toch moeten weten. Mijn vrouw is niet zwanger. Er is geen koning op komst.’

‘Waarom denk je dat er juist nú een koning geboren moet worden?’ vroeg Melchior.

De magiër uit Arbela keek zijn collega veelbetekenend aan. ‘Omdat de komende week de zon samenvalt met de Koningsster van de Leeuw. Daarom.’

Mul Lugal,’ mompelde Balthasar.

‘Precies. De ster van de koning.’

De drie magiërs stonden zwijgend terwijl de koning nadacht. Hij zuchtte nog een paar keer en zei ten slotte: ‘Melchior, wat denk jij?’

‘Welnu, Sire, er is nóg een land dat zich associeert met het teken van de Leeuw. Het Romeinse vazalstaatje Judea, dat de inwoners zelf Juda noemen. Misschien is daar een nieuwe koning op komst?’

‘Een koning van de joden? Dat zullen de Romeinen fijn vinden,’ schamperde Antiochus III. ‘Welnu, ik heb een besluit genomen. Jullie gaan met zijn drieën naar Juda, op zoek naar deze nieuwe koning. Als hij werkelijk de koning is waar de profetieën over spreken, dan zal hij zeker sterk genoeg zijn om de Romeinen te verslaan. Dat is ook in mijn belang. Zoek hem op en sluit een bondgenootschap.’

En zo geschiedde het, dat Melchior, Balthasar en Caspar langs de oever van de Eufraat vertrokken uit Samosata, op weg naar Jeruzalem, om daar op zoek te gaan naar de aangekondigde koning, een Leeuw uit de stam van Juda.

‘Rij jij maar in het midden,’ zei Balthasar, terwijl hij zijn kameel ter linkerzijde van Melchior dirigeerde. ‘Ik wil niet in de buurt van die barbaar uit Arbela komen.’

‘Ik weet dat onze volken soms grensconflicten hebben, maar ik verzeker je dat je van mij niets te vrezen hebt,’ reageerde Caspar kalm. ‘Ik hoop dat we onze verschillen tijdens deze reis achter ons kunnen laten.’

‘Grensconflicten? Jullie veroveren elk jaar een nieuw deel van ons land!’

‘Jullie land is twee keer zo groot als dat van ons. Jullie leger is vier keer zo sterk als dat van ons. Geloof je werkelijk dat wij jullie land veroveren? Wij proberen al decennia de grens bij de Tigris te houden, maar jullie dringen steeds ons gebied binnen.’

‘Jullie geloven dat Mithra de reïncarnatie is van Ahura Mazd. Dat is een blasfemie! Ahura Mazd de schepper is van Mithra.’

‘Dat klopt. Ahura Mazd heeft Mithra geschapen door in zijn gedaante op Aarde te verschijnen. Net zo goed als Krishna, de god die aanbeden wordt in de Indusvallei, geschapen is doordat Vishnoe zijn gedaante aannam.’

Balthasar gaf een luide brul. ‘Zwijg, zeg ik je! Hou je infame lasteringen bij je!’

‘Het zou me toch een lief ding waard zijn...,’ begon Melchior, de wijze in het midden.

‘Wat zeg je?’ brulde Balthasar.

‘Ik zei, het zou me toch een lief ding waard zijn, als jullie je conflict over de oorsprong van Mithra achter je konden laten. Waarom richten jullie je aandacht niet op wat je bindt in plaats van wat je scheidt?’

De magiërs reden zwijgend voort, tot ze de plek bereikten waar de grens van het Romeinse Rijk was aangegeven. Ze ontstegen hun kamelen en zochten een comfortabele plek om de nacht door te brengen. Melchior vlijde zich opnieuw tussen de kemphanen.

‘Mag ik jou wat vragen, Melchior? Ik ben nog jong en heb mijn opleiding tot magiër nog niet geheel afgerond. Ik snap de betekenis van de bewegende sterren niet.’

Balthasar lachte schamper. ‘Je begrijpt wel meer niet.’

‘Vraag gerust,’ zei Melchior. ‘Wat wil je weten?’

‘Bijna alle sterren staan stil. Dat wil zeggen, ze hebben een vaste plek ten opzichte van elkaar. Maar naast de zon en de maan zijn er nog vijf sterren die rond bewegen door de hemelen.’

‘Dat klopt. Er zijn twee bewegende sterren die dichtbij de zon blijven en er telkens langs heen en weer gaan. De andere drie blijven niet bij de zon, en bewegen ook rond de Aarde. Eentje lijkt dichtbij te bewegen, de twee andere op grotere afstand. Die bewegen zeer traag. Bewegende sterren zijn als udutil, als schapen.’

‘Die laatste twee zijn deze maand heel dicht bij elkaar gekomen.’

‘Dat heb ik ook gezien. Ik denk dat die bijzondere omstandigheid een tweede aanwijzing is dat de profetie van de wederkomst van de Leeuwenkoning vervuld zal worden. Je kent wel de betekenis van de sterrenbeelden?’

‘Jawel. De stand van de sterren aan de hemel bepaalt de inborst van een nieuwgeboren mens. Zijn karakter. Zijn lot.’

‘Lot en karakter zijn nauw verbonden. Wie een opvliegend karakter heeft, zal veel conflicten ontmoeten.’

‘We noemen geen namen,’ glimlachte Caspar. ‘De zon staat deze maand in het teken van de Leeuw. Wie nu geboren wordt, zal uitgroeien tot een zelfverzekerde, charismatische leider.’

‘Precies zo werkt het met de bewegende sterren. Hun invloed is erg groot, en zij bepalen dus mede het lot van de nieuwgeborene. De twee trage sterren heten Dapinu en Kayyamanu, hoewel ik gehoord heb dat de Romeinen er andere namen voor hebben. Dapinu brengt een mens soberheid en rechtvaardigheid. Hij doet roemrijke daden, gelooft in liefdadigheid en is wijs, religieus en deugdzaam. Dapinu brengt geluk en voorspoed. Een echte ster voor een nieuwe koning.’

‘En die andere, Kayyamanu?’

Melchior streek bedachtzaam over zijn baard. Zijn gezicht betrok. ‘Die brengt het grote ongeluk en eenzaamheid. Deze mens zal diepzinnig betogen, ernstig zijn en streng in zijn houding. Het is meer een ster voor een herder, dan voor een koning. Als de Leeuw van Juda onder deze ster geboren wordt, zal hij een zwaar leven tegemoet kunnen zien.’

Casper tuurde nadenkend naar de sterrenhemel. Zo veel sterren, zo veel invloeden. Zou elke ster zijn invloed doen gelden? Hoe kon iemand ooit een goede voorspelling doen over iemands lot? Om een goede magiër te worden zou hij toch zeker nog veertig jaar moeten studeren.

‘Heb je een cadeau meegebracht?’ vroeg Melchior aan Balthasar.

‘Voor de nieuwe koning?’

‘Je kunt niet met lege handen komen.’

‘Ik heb mirre.’

‘Mirre?’

‘Ja, mirre.’

‘Waarom mirre? Wie brengt er nou mirre voor een pasgeboren kind?’

‘Wat heb jij dan?’

‘Ik heb goud bij me.’

‘Nee, dáár heeft een kind wat aan.’

‘Voor zijn ouders.’

‘De mirre is ook voor zijn ouders.’

‘Ik vind mirre een raar cadeau voor een pasgeboren kind.’

Balthasar richtte zich op om over Melchior heen te kunnen zien. ‘Wat heb jij bij je?’

‘Wierook,’ antwoordde Caspar.

‘Kijk, dat is beter,’ zei Melchior goedkeurend.

‘Ik heb niet alléén wierook,’ ging Caspar verder.

‘Wat heb je nog meer?’

‘Kleertjes.'

‘Schattig.’

De reis ging voort en niet veel later bereikten de drie wijzen het Romeinse territorium dat Judea genoemd werd. Vanaf de oever van de Zee des Doods reisden ze in westelijke richting naar Jeruzalem. Door een Romeinse poortwachter lieten ze zich naar Koning Herodes brengen, heerser van Judea, Samaria, Galilea en nog een aantal gebieden daarbuiten.

De drie waren niet op hun gemak. Ze kenden deze koning niet, maar ze kenden de verhalen die over hem rondgingen. Hij was een loyale Romein en daardoor niet erg populair bij de bevolking die hij bestuurde. Ook zij vreesden toekomstige Romeinse overheersing in hun eigen land en deze Herodes voldeed precies aan hun schrikbeeld. En juist omdat ze op zoek waren naar een nieuwe koning die de Romeinen kon verslaan, moesten de magiërs uiterst omzichtig te werk gaan.

Ook voor deze koning hadden de drie reizigers waardevolle geschenken meegebracht, die ze vooruit lieten brengen. Ze hoopten op die manier de vorst gunstig te stemmen aleer ze hem onder ogen kwamen.

De werkelijkheid was schrikwekkender dan alle verhalen die ze gehoord hadden. Herodes ontving hen, maar met het mes op de keel. Ze werden elk op een stoel geplaatst, met een schildwacht achter hen die een blinkend zwaard op hun halzen plaatste.

‘Spreek! Wat komen jullie doen?’ brieste Herodes.

‘Vergeef ons, Heer, dat we onaangekondigd aan u verschijnen. We zijn op een heilige zoektocht namens de koningen van Samosata, Edessa en Arbela,’ sprak Melchior met bevende stem.

‘Wat voor zoektocht?’

Wij zoeken de pasgeboren koning van de Joden. We hebben zijn ster gezien en we zijn gekomen om hem eer te bewijzen.’

‘Wat voor ster? Waar heb je het over?’

‘De koningsster van de Leeuw valt dezer dagen samen met de zon. Bovendien vindt er een conjunctie plaats van Dapinu en Kayyamanu.’

‘Wat klets je allemaal, oude man? Wachter! Laat de hogepriester van Jupiter hier komen! Misschien begrijpt hij wat deze buitenlanders voor onzin uitkramen.’

De wachter spoedde zich het paleis uit en Herodes ging met zijn armen gekruist voor de magiërs staan. Hij tuurde ze één voor één intensief in de ogen en nam een besluit.

‘Laat die oude en die jonge opsluiten. We spreken verder als de hogepriester hier is. Die middelste blijft hier. Hij kijkt veel te brutaal. Hij moet nog een paar vragen beantwoorden en zo niet, dan gaat zijn kop eraf.’

Caspar keek naar Melchior en de zorg over de nieuwe ontwikkeling was van het gezicht van de oude magiër af te lezen. Met zijn opvliegende karakter zou Balthasar binnen de kortste keren zijn hoofd inderdaad kwijt zijn. De schildwachters grepen hun gevangenen bij de arm en trokken ze van hun stoel. Caspar protesteerde. ‘Mijn diepste verontschuldigingen, Heer. Maar mijn goede vriend heeft niets kwaads in de zin. Het was mijn idee om hier te komen, laat mij uw vragen beantwoorden.’

Herodes dacht twee tellen en met een nauwelijks waarneembaar gebaar veranderde hij zijn opdracht. Caspar werd terug op zijn stoel geduwd en de wachters leidden Balthasar en Melchior weg.

‘Wat moeten jullie met de koning van de Joden?’

‘Wij willen hem eer bewijzen.’

‘Waarom hem? Waarom mij niet? Of mijn kinderen? Toen mijn zoon geboren werd, heb ik niemand van jullie hier gezien. Uit Edessa, en hoe heten die dorpen waar je vandaan komt?’

‘Wij volgen de sterren, Heer. Wij zijn magiërs. Volgens de sterren wordt er een koning geboren in het huis van de Leeuw. Daarom denken wij aan Judea. Als u het mij vraagt, zou het zelfs een nieuwe reïncarnatie van Mithra kunnen zijn.’

‘Mithras? De zonnegod? Die is toch geboren op 25 december? Zou deze nieuwe incarnatie dan ook niet op 25 december geboren moeten worden, in plaats van eind juli?’

‘Deze datum bepaalt het lot van zijn nieuwe leven. De sterrenhemel van 25 december dient hem nu niet meer.’

‘Een nieuwe Mithras, hè? De onoverwinnelijke zon...’

‘Of de zon der gerechtigheid. Hij wordt ook geboren onder Dapinu.’

‘Wat is Dapinu?’

De vragenreeks van Herodes werd onderbroken door de binnenkomst van een oude priester die de tekenen van Jupiter droeg, gevolgd door twee schriftgeleerden.

‘Wat is Dapinu?’ herhaalde Herodes zijn vraag, maar nu aan de hogepriester.

‘Geen idee.’

‘Dapinu en Kayyamanu zijn de twee langzaam bewegende sterren,’ verklaarde Caspar. ‘Ze staan thans in het sterrenbeeld van de Vissen.’

‘Hij bedoelt Jupiter en Saturnus,’ sprak de hogepriester. ‘Deze sterren vormen een bijzonder verbond. De paden van hun wandeling zijn samengekomen. Ze zijn haast als één. Ze schijnen helder en zijn niet te missen aan de hemel.’

Herodes sloeg met zijn vlakke hand op de leuning van zijn troon. ‘Jij, Schriftgeleerde, wat hoor ik over een koning van de Joden?’

De aangesproken farizeeër deed een stap naar voren en maakte een kleine buiging voor de Romeinse heerser. ‘Jazeker, Heer. De Joden dragen een boek bij zich van de profeet Micha. Daarin wordt voorspeld dat er in Bethlehem iemand zal worden geboren uit het geslacht van Juda, die over Israël zal heersen. Iemand met een oorsprong in een ver verleden, Heer.’

‘Dus het is waar...’ Herodes nam opnieuw tijd om na te denken. Hij stond op van zijn troon en zijn raadgevers sprongen eerbiedig een eind naar achter.

‘Ik weet genoeg. Jullie kunnen gaan.’

Herodes ging vlak voor Caspar staan en keek hem opnieuw indringend aan. ‘Ik heb een belangrijke opdracht voor jullie. Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur mij bericht zodra je het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het eer te bewijzen.’

Caspar knikte welwillend en boog voor de wrede koning. Die gebaarde vaag en een wachter begeleidde Caspar naar buiten.

De wijzen sliepen slecht die nacht. Ze lagen gedrieën in het gras bij een waterbron, even buiten Jeruzalem. Caspar kon zijn ogen niet van de tweelingsterren afhouden, Jupiter en Saturnus, had de Romein ze genoemd. Pal naast elkaar.

Melchior merkte dat zijn vriend wakker was en stootte hem aan. ‘Zie je dat?’

‘Wat is er?’

‘De zon moet daar opkomen, over een paar uur. Maar voor de zon uit is er nog een bewegende ster. Sihtu. De boodschapper van de goden.’

‘Hoe zouden de Romeinen die ster noemen?’

Mercurius. Ik heb met de hogepriester staan praten. Interessante kerel. Een wijs man. Weet veel van de sterren. Hij begrijpt wat er te gebeuren staat. Herodes niet, die begrijpt niets.’

‘Drie bewegende planeten die voor de zon uitgaan om de komst van de Leeuwenkoning aan te kondigen.’

‘Niet aan te kondigen, om zijn lot te bezegelen. Het is deze constellatie die het leven van de nieuwe koning inhoud geeft. En ertussen in, nog drie sterren die de weg wijzen. Drie herdersterren.’

‘Waar zie je die?’

‘Daar, in ’t... In het veld. Ten noorden van de Stier. De twee magische sterren, dan de Ram en de Os, drie herders en nog een magische ster. Dan de Leeuw van Juda. Het staat allemaal aan de hemel.’

‘Jupiter en Saturnus staan in Vissen. Eigenlijk kondigen ze de geboorte van de Visserskoning aan.’

Balthasar bleek ook wakker te zijn en mengde zich in het gesprek. ‘Vinden jullie het niet opvallend dat wij met drie magiërs naar drie magische sterren liggen te kijken?’

‘De drie magische sterren uit het Oosten...,’ mompelde Melchior.

De sterrenhemel tijdens de conjunctie van Jupiter en Saturnus

 

De drie wijzen lieten hun nachtrust voor wat het was en besloten de nacht te gebruiken voor het laatste stuk van hun reis. Nog voor Bethlehem in zicht was, hield Balthasar even in. Hij dirigeerde zijn kameel achter Melchior langs en kwam naast Caspar rijden.

‘Waarom nam jij mijn plaats in bij Herodes?’

‘Mijn wijze van spreken is diplomatieker. Ik was bang dat jij met hem in een ruzie zou geraken.’

‘En dan?’

‘Hij sprak nogal dreigende taal.’

Balthasar knikte. ‘Het zou me inderdaad mijn kop hebben gekost. Je hebt mijn leven gered.’

Caspar keek opzij en zag het stuurse profiel van zijn Osroense collega. Balthasar draaide zijn hoofd en forceerde een glimlach op zijn gezicht. ‘Voor een Arbeler ben je niet zo beroerd.’

Caspar grinnikte. ‘Is dat jouw manier om bedankt te zeggen?’

‘Gisteren wilde ik je nog aan mijn zwaard rijgen. Ik heb moeite met snelle veranderingen.’

Casper knikte en ze reden zwijgend verder.

‘Bedankt,’ mompelde Balthasar, terwijl hij zijn kameel terugleidde naar zijn vaste plek.

De zon begon op te komen en de magische planeten aan de oostelijke hemel waren nauwelijks meer zichtbaar. Bethlehem bleek een klein dorp en er was niemand op straat.

‘Waar nu heen?’

Melchior bekeek de eerste huizen van het dorp. ‘De geboorte van deze koning wordt beheerst door de dierenriem, dus laten we hem zoeken in een plaats voor dieren – een stal.’

‘Daar brandt licht,’ wees Balthasar.

De wijzen zetten hun kamelen in beweging, maar Caspar bleef achter. Melchior en Balthasar merkten dat hun vriend niet meer bij hen was en ze draaiden zich om.

‘Wat is er?’

‘Er schiet me ineens iets te binnen.’

‘Iets ernstigs?’

‘Niet per se ernstig. Maar wel gewichtig.’

‘Vertel op, man.’

‘Wat nu, als wij niet echt zijn? Als wij alleen symbool staan voor de astrologie?’

‘Hoe bedoel je, niet echt?’ riep Balthasar. ‘Ik voel me behoorlijk echt.’

Melchior stak zijn hand op om zijn collega te laten zwijgen. ‘Vertel verder, Caspar.’

‘Ons verhaal, zoals wij deze reis gemaakt hebben. Misschien wordt het alleen maar zo verteld. Symbolisch. Een pasgeboren kind in stal vol dieren, drie herders, drie wijzen uit het oosten.’

‘We komen uit het noorden.’

‘Wij wel, maar de drie magische sterren niet. De cadeaus die wij meebrengen, goud, mirre en wierook, duiden op hetzelfde. Goud is symbolisch voor de voorspoed die Jupiter brengt. Mirre wordt gebruikt bij de verzorging van lijken. Is dat niet de invloed van Saturnus? En wierook is de stof die de priester gebruikt, de voorganger. De aankondiger van de zonnegod, de boodschapper van de goden: Mercurius.’

‘Wat een kletskoek,’ riep Balthasar. ‘Je hebt toch ook kleertjes bij je? Kom op, in die stal brandt licht.’

De drie magiërs ontstegen hun kamelen en bonden ze aan een hek. Behoedzaam naderden ze de stal. Melchior voelde de warme stralen van de eeuwige zon op zijn oude huid vallen terwijl hij voorzichtig de stal binnen stapte. De drie wijzen lieten zich op hun knieën vallen en overhandigden de nieuwgeborene de gaven die zijn lot zouden vormen.

Na het bezoek aan de kribbe reisden ze niet terug langs de weg die ze gekomen waren, maar maakten ze een grote bocht in westelijke richting.



In 1945 werd in de woestijn van Egypte een fragment teruggevonden van een oud handschrift van het evangelie van Matteüs. Dit fragment omvatte de volgende zin: ‘Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre. En kleertjes.’





Nog geen reacties.
Reactie:

Naam (niet verplicht maar wel leuk, natuurlijk):

E-mailadres (voor directe plaatsing, e-mailadres wordt niet gepubliceerd):

En iets tegen spam-robots:
Welke hoort niet in het rijtje thuis?
1) huisje 2) mayonaise 3) boompje 4) beestje 




Je ontvangt een e-mail waarmee je je reactie kunt bevestigen. Bevestigde reacties worden direct geplaatst en achteraf gemodereerd. Onbevestigde reacties worden bekeken door een moderator voordat ze worden geplaatst.